voornaamwoorden (object) + geven
Ik twijfel vaak wanneer moet ik hen of hem gebruiken. Voor mij klinken ze allebei bijna hetzelfde.
Dus, hier is een kort verhaaltje om de voornaamwoorden en de verschillende tijden van "geven" te oefenen.
Het feest
Tegenwoordige tijd (Present Tense)
Vandaag is het feest van Max. Ik geef een thee aan jou. Mousaab is er ook. Ik geef hem een ​​koekje (nooit een sigaret). Linda is er ook. Ik geef haar een biertje (zonder alcohol). De mensen hier zijn erg aardig. Ik kijk naar mijn chatvrienden en zeg: "Ik geef jullie allemaal een knuffel!" Daar zijn de nieuwe leden. Wij geven hen/ze een stukje taart.
Verleden tijd (Past Tense)
Gisteren was het feestje van Max. Ik gaf een thee aan jou. Ik gaf een koekje aan hem (Mousaab). Ik gaf een drankje aan haar (Linda). Ik gaf jullie allemaal een knuffel. Wij gaven hen (de nieuwe leden) een stukje taart.
Perfectum/voltooid tegenwoordige tijd (Present Perfect)
Het feestje is klaar. Ik heb een thee aan jou gegeven. Ik heb een koekje aan hem gegeven. Ik heb een drankje aan haar gegeven. Ik heb jullie een knuffel gegeven. Wij hebben hen een stukje taart gegeven.
Belangrijke woorden uit dit verhaal - de objectvormen:
  • Mij / Me (me)
  • Jou / Je (you)
  • Hem (him)/ Haar (her)
  • Ons (us)
  • Jullie (you all)
  • Hen / Ze (them)
Wat heb jij vandaag/deze week aan iemand gegeven?
3
10 comments
Irina A.
6
voornaamwoorden (object) + geven
Natural Dutch Tribe
skool.com/naturaldutch
Free online Community for serious Dutch learners!
✅Meet others
✅Live koffie chats
✅Progress sharing
✅Free study material
✅Help each other
Leaderboard (30-day)
Powered by